Weidevogels en ganzen

Grutto

De grutto is een zomergast. ‘s Winters verblijven ze voor de West-Afrikaanse kust. Vanaf februari keren ze bij ons terug. In de tweede helft van april hebben de meeste grutto’s een nest tussen ‘t gras, meestal met vier eieren. Er is dan een overvloed aan regenwormen en kleine insecten, hun belangrijkste voedsel.

Na 25 dagen komen de jongen (pullen) uit het ei. Vanaf begin juni worden deze zelfstandig. Grutto’s gaan zich dan groeperen op gemeenschappelijke slaapplaatsen in ondiep water. Met de zomerrui komt hun verenpak in goede conditie voor de trek. De meeste grutto’s trekken vanaf half juli weer weg.

Kievit

De kievit is één van de eerste steltlopers die een ei legt. Deze vogel is niet te missen, want in de Balstijd voert hij spectaculaire luchtshow’s uit. Het broedseizoen van de kievit loopt van half maart tot in juli. Vogels waarvan het eerste broedsel is mislukt, proberen het vaak later in het seizoen nog eens. Een legsel bestaat meestal uit vier eieren van gemiddeld 47 x 34 mm. Het broeden duurt 26 à 28 dagen.

Het nest wordt gemaakt in een ondiep kuiltje op een plek met niet te veel gras. Meestal broedt de kievit op grasland, maar ook op bouwland worden kievitsnesten aangetroffen. Direct als ze uit het ei komen gaan ze het nest uit en op eigen kracht achter de prooidiertjes aan. Na ongeveer 5 weken zijn ze vliegvlug.

Scholekster

De scholekster begint pas in mei een nest te maken en legt er 3 of 4 eieren in. Hij doet dit meestal op kaal grasland of bouwland. Na een broedtijd van ongeveer 4 weken komen de donzige jongen uit.

Ze worden in tegenstelling met andere steltlopers eerst nog korte tijd in het nest gevoerd. De scholekster is een strand- en wadvogel en trekt daar weer naar toe als zijn donzige jongen na 5 weken vliegvlug zijn.

Tureluur

De tureluur is een weidevogel met opvallende rode poten en snavel. De tureluur bouwt het nest graag in de buurt van andere weidevogels, zoals de grutto of kievit. Het nestje van de tureluur is bijna onvindbaar en wordt overkoepeld door gras.

Na ongeveer 4 weken komen de eieren uit, waarbij ze na ongeveer 5 weken kunnen vliegen. Na het broedseizoen zoekt de tureluur de kust op en trekt later weg naar het zuiden.

Veldleeuwerik

De veldleeuwerik behoort tot de kleine weidevogels. Ze maken een nest tussen de grashalmen en daarin worden meestal 5 of 6 eieren gelegd. Het nest wordt 10 tot 14 dagen bebroed. De jongen worden kaal en blind geboren, maar kunnen na 14 dagen al vliegen.

Een veldleeuwerik kan wel 4 broedsels per jaar grootbrengen. Ze worden wel 7 tot 8 jaar oud. Het voedsel bestaat uit insecten, slakjes, wormen en later ook zaden. Als de winter nadert vertrekken ze naar landen zoals Noord-Afrika.

Grauwe gans

De grauwe gans is de in Nederland meest voorkomende gans. De ganzen zijn soorten uit de familie der eendvogels. Tijdens de vogeltrek vliegen de vogels in een V-vorm, waarbij ze het bekende gak-gak roepen. Tijdens de rui, waarin de gans niet vliegen kan, zoekt de gans een goed heenkomen in rietlanden. Ze kunnen dan zo veel riet consumeren dat de verlanding door riet wordt tegengegaan.

Nadat de gans als broedvogel in de Benelux was uitgestorven, kwam hij terug met de ontwikkeling van nieuwe polders. Rond 1970 was de grauwe gans een zeer zeldzame broedvogel en waren er in Nederland slechts ongeveer 150 paar. Rond 2003 broeden door een strenge bescherming er jaarlijks weer 8000 paar.

Kolgans

De kolgans is een levendige gans en lid van de familie eendvogels en onderfamilie gansachtigen. Qua uiterlijk doet de kolgans sterk denken aan de grauwe gans, maar hij is iets kleiner. Opvallend is zijn kol: een grote witte vlek rond zijn snavel. De snavel van de kolgans is niet oranje, maar roze.

De kolgans keert elke winter naar vaste plaatsen terug. Hij broedt in Groenland en het noorden van Rusland. In de maanden november tot en met maart verblijft de vogel in groten getale in Nederland, met name in Friesland. Kolganzen verblijven tussen groepen grauwe ganzen en brandganzen.

Rietgans

De taigarietgans is een vogel uit de familie van de eendvogels. Een volwassen exemplaar is ongeveer 75 centimeter groot en is daarmee iets kleiner dan de grauwe gans. Ze broeden in noordelijke bossen en toendra’s. ‘s Winters zijn ze te vinden gras- en bouwland in de buurt van waterpartijen. De dieren hebben oranje-gele poten, een donkere kop en hals en een zwart met oranje snavel.

De kleine rietgans is een vogel uit de familie van de eendvogels. Een volwassen exemplaar is 65 tot 70 centimeter groot en is daarmee iets kleiner dan de taigarietgans. Ze broeden in Arctica. ‘s Winters hebben ze hetzelfde habitat als de taigarietgans. Het uiterlijk van de dieren is bijna gelijk aan dat van de taigarietgans, maar ze hebben roze poten en een roze en zwarte snavel.

Brandgans

De brandgans is een gans uit de familie van de eendvogels. Een volwassen exemplaar is ongeveer 65 centimeter groot en is daarmee een kleine ganzensoort. Brandganzen hebben een wit gezicht, een opvallende donkere vlek die loopt van de ogen tot de snavel, een zwarte hals en borst en een grijs lijf.

Bij voorkeur bevinden ze zich in zoutwatermoerassen, riviermonden en grasland. De brandgans nestelt in kolonies op rotsrichels, soms op de toendra. Tijdens het broedseizoen bevinden ze zich in Arctica. In de winter komen ze onder andere in Nederland, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Ierland voor. In West-Europa ontwikkelt zich een halfwilde populatie die ook tot broeden komt. Ze is opgebouwd uit exemplaren die oorspronkelijk ontsnapten uit watervogelcollecties en de afstammelingen daarvan.

Canadagans

De canadagans is een gans die behoort tot het genus van de Branta; een genus met veel soorten die voornamelijk zwarte veren hebben in tegenstelling tot de soorten uit het Anser genus. De canadagans is een exoot in Europa.

De bruine tint overheerst behalve in het aangezicht, op de kruin en op de hals. Deze zijn duidelijk zwart. Hun roep is een luid getrompet. Ze hebben zich over heel Europa verspreid en broeden in Nederland en België.

Rotgans

De rotgans is een vrij donkere bijna zwart-witte vogel van de familie der ganzen, met een karakteristieke, ver klinkende roep rrot-rrot. De rotgans is een kleine gans, ongeveer 60 centimeter lang met een korte, stompe bek. De onderkant van de staart is puur wit en de bovenkant is zwart en erg kort (het kortst van alle ganzen).

Er worden drie ondergroepen onderscheiden, namelijk rotganzen met een donkere buik, rotganzen met een bleke buik en zwarte en grijze rotganzen. De rotganzen met een donkere buik komen voornamelijk voor in West-Siberië tijdens de zomer en West-Europa in de winter, waarbij de ene helft in Engeland neerstrijkt en de andere helft in het gebied tussen het noorden van Duitsland en het noorden van Frankrijk.

Rotganzen met een bleke buik lijken donkerbruin met lichtgrijs, maar bestaan uit verschillende tinten grijs. Deze groep broedt in Frans Jozefland, Spitsbergen, Groenland en het noordoosten van Canada en overwintert in Denemarken, Noordoost-Engeland, Ierland en de Atlantische kust van de Verenigde Staten. De zwart en grijze rotganzen lijken donker-bruin met wit met veel kontrast tussen de zwarte en witte gebieden met een langere nek. Deze groep broedt in Canada, Alaska en Oost-Siberië en overwintert aan de westkust van de Verenigde Staten.

Nijlgans

De nijlgans is een eendvogel, familie van de eenden, ganzen en zwanen. De oude Egyptenaren beschouwden de nijlgans als een heilig dier en beeldden de nijlgans regelmatig af in hun kunst. De nijlgans leeft voornamelijk op land hoewel het goed kan zwemmen. In het broedseizoen is het dier territoriumvormend. Het kan deze territoria agressief verdedigen. De nijlgans eet zaden, bladeren, grassen en stengels. Af en toe eet dit dier sprinkhanen, wormen en andere kleine dieren.

Dit 63-73 cm lange dier komt algemeen voor in Afrika behalve in woestijnen en dichte bossen en in de Jordaanvallei. Ze worden veel aangetroffen in de Nijlvallei en komen als exoot voor in Europa. Berichten van ontsnapte nijlganzen komen voor in Nederland en Engeland. In 1967 ontsnapten een aantal exemplaren in Nederland. In de eerste jaren groeide het aantal nijlganzen explosief. Biologen maakten zich destijds grote zorgen, omdat zij bang waren dat de nijlgans andere avifauna zou verdringen. Na verloop van tijd stabiliseert de populatie nijlganzen steeds meer.